Home / Contact
Agenda / Nieuws

Overnachten

Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. (Psalm 91: 1)

Het is crisis. In heel korte tijd werd het leven zo anders dan anders. En velen maken zich zorgen, grote zorgen. En dan allang niet meer alleen over die nare ziekte die als een onzichtbare vijand om zich heen grijpt en voor de kwetsbaren onder ons zo bedreigend is. Nu er zoveel dingen stil vallen, stapelen zich ook andere problemen op. Niet
in de laatste plaats voor velen van ons ook in financiële zin. Waar gaat dit alles toe leiden? Zal ik mijn baan nog wel behouden? Hoe moet het nu met mijn bedrijf? En mijn hypotheek?
Het zijn vreemde tijden met ongekende maatregelen. En de boodschap is: we moeten er doorheen. Het gaat nu om overleven. In de hoop dat we straks weer leven kunnen. Maar ondertussen is het licht aan het einde van de tunnel nog lang niet in zicht. En zijn we nu vooral heel erg bang. Want zal het nog wel echt goed komen?
In psalm 91 is het ook crisis. Het
gaat over vijanden, het gaat over
een besmettelijke ziekte en over het beangstigende van de nacht. Het is
een psalm die zomaar opeens heel actueel is. Maar wat mij opvalt is dat de psalmdichter een ander woord gebruikt. Niet het woord ‘overleven’, maar het woord ‘overnachten’. Dat lijkt misschien niet zo’n belangrijk verschil, maar dat
is het toch wel. Want overleven – dat veronderstelt onze uiterste inspanning, tot aan hamsteren toe. Maar overnachten – dat doet juist veel meer denken
aan loslaten. Het heeft te maken met wegkruipen in de geborgenheid van een schuilplaats, totdat de nacht voorbij is.
Die schuilplaats: die vinden we bij
de HEERE. De Allerhoogste en de Almachtige – zo noemt de dichter van
psalm 91 Hem. Dat is niet toevallig.
Want dit zijn de woorden, waarmee de HEERE zich heel lang geleden bekend maakte aan Abraham, de vader van
alle gelovigen. De Allerhoogste. De Almachtige. Dat zijn nou typisch woorden die bij God horen. God, de HEERE: er is geen God hoger en machtiger dan Hij.
En bij die God mogen ook wij, net als Abraham, schuilen. Met alles wat ons zo benauwen kan. Schuilen – dat wil zeggen: jezelf helemaal aan Hem toevertrouwen. Zoals de psalmdichter dat voordoet in vers 2: ‘Ik zeg tegen de HEERE: Mijn toevlucht en mijn burcht, mijn God, op Wie ik vertrouw.’ Misschien moet je hem dat maar gewoon nazeggen. Telkens weer nazeggen. Ook al kun je daar met je gevoel misschien niet altijd bij. Maar dan toch blijven zeggen, blijven volhouden. Dwars tegen alles in.
En weet u wat ik dan zo mooi vind? Dat de psalm spreekt over de vleugels van de HEERE. De vleugels van de HEERE, waar de mens als een bang musje, als een kwetsbaar vogeltje beschutting vindt. Onze angsten, onze vragen – de Heere gaat daar niet met ons over in discussie. Hij wordt niet boos als je er niet meer doorheen ziet. Nee, zoals een moedervogel haar vleugels beschermend uitspreidt over haar jongen, zo spreidt de Heere genadig zijn vleugels uit over een ieder die bij Hem zijn toevlucht zoekt.
En dan zingt de psalmdichter in vers 10:
‘Geen onheil zal u overkomen, geen plaag zal uw tent naderen...’ Dat zijn grote woorden. En ze blijven komen,
ook aan het einde van psalm: ‘Hij zal Mij aanroepen en Ik zal hem verhoren. Ik zal bij Hem zijn. Ik zal hem eruit helpen en hem verheerlijken. Ik zal hem met lengte van dagen verzadigen, Ik zal hem Mijn heil doen zien...’

Voelen deze woorden toch ergens niet te groot voor ons, te hoog? Zal het dan echt allemaal wel goed komen? Zo ervaren we dat toch lang niet altijd?
Wat hier ten diepste bedoeld wordt is dat de HEERE zijn kinderen door de nacht van strijd en zorgen hééntrekt. We moeten deze woorden zien in het licht van de nieuwe morgen die God geven zal. De nieuwe morgen van zijn Koninkrijk. Er komt een dag dat God, de Allerhoogste, een volkomen verlossing zal geven. Op de jongste dag, als de Heere Jezus zal terugkomen op de wolken van de hemel, dan zal de heerlijkheid van God heel de aarde vervullen. Dáár gaat het naar toe. En de dingen die wij om ons heen zien gebeuren, óók vandaag, zijn tekenen dat deze toekomst werkelijk gaat komen.
Het gaat erom dat we ons daar op zullen richten, ook met alles wat ons zo benauwt.
‘Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.’ Nu begin ik dat woord ‘overnachten’ pas echt te begrijpen. Ja, want nu is het nog volop nacht in de wereld. En laten we er niet makkelijk over doen: de nacht kan soms heel lang duren. We weten niet
wat ons nog te wachten staat. Maar in die nacht hoeven wij niet te overléven,
in die zin dat we zelf, koste wat kost, onszelf overeind moeten proberen te houden. Maar mogen wij overnachten. Ons toevertrouwen aan de Allerhoogste. Onze toevlucht nemen in de schaduw van de Almachtige. Onder de vleugels van zijn genade en ontferming. Gelovig wachtend op de grote morgen die komen gaat.
Zo kan ik in geloof gaan slapen, zonder zorgen. Want slapend kom ik bij Hem thuis. Alleen bij Hem ben ik geborgen, Hij doet mij rusten tot de morgen. En wonen in een veilig huis.
✍ Ds. G. Lugthart

Jakobus 5:10-11

Neem een voorbeeld aan het geduldige lijden van de profeten die in de naam van de Heer spraken. Degenen die standhielden prijzen we gelukkig! U hebt gehoord hoe standvastig Job was, en u weet welke uitkomst de Heer gaf; de Heer is immers liefdevol en barmhartig.

©2020 Hervormde Gemeente Katwijk aan Zee

Disclaimer Colofon Privacy & cookies

Webontwikkeling: 2nd Chapter